Appellant was sinds 18 maart 2008 in dienst van een besloten vennootschap (B.V.) en viel op 2 oktober 2009 wegens ziekte uit. De werkgever betaalde loon door tot 2 maart 2011. Appellant verzocht vanaf 1 maart 2011 ziekengeld omdat de B.V. was ontbonden op 15 oktober 2010. Het UWV weigerde dit, stellende dat de arbeidsovereenkomst bleef bestaan omdat loon werd doorbetaald en er contact was met de arbodienst.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de arbeidsovereenkomst voortduurde doordat de directeur-grootaandeelhouder het bedrijf voortzette. In hoger beroep betoogde appellant dat de ontbinding van de B.V. de arbeidsovereenkomst beëindigde en hij daarom recht heeft op ziekengeld.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de B.V. op 15 oktober 2010 is ontbonden en opgehouden te bestaan, waardoor de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De Raad vond geen bewijs dat de arbeidsovereenkomst werd voortgezet door de directeur-grootaandeelhouder. Daarom oordeelde de Raad dat het UWV ten onrechte geen ziekengeld uitkeerde vanaf 1 maart 2011 en bepaalde dat het UWV dit alsnog moet doen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de kosten van appellant.