Uitspraak
21 december 2016. Appellante is – met bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft na beëindiging van haar WW-uitkering binnen vier weken ziekmelding gedaan wegens psychische en hoofdpijnklachten. Het UWV heeft op basis van een verzekeringsarts vastgesteld dat zij per datum ziekmelding geschikt is voor ten minste één functie binnen de WIA-beoordeling, waardoor geen recht op Ziektewetuitkering bestaat.
De rechtbank heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd en dat haar gezondheidstoestand was verslechterd, wat niet overeenkomt met de verbeterde functionele mogelijkhedenlijst.
De Raad volgde het UWV en de rechtbank in hun oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen zijn dat de artsen de situatie onjuist hebben ingeschat. Er is geen nieuwe medische informatie die het oordeel zou rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en het verzoek om vergoeding van wettelijke rente afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewetuitkering bevestigd.