Appellant was van 26 september 2009 tot 1 mei 2012 in dienst als voltijds docent en ontving vanaf 1 mei 2012 een WW-uitkering. Het UWV stelde het aantal vrij te laten uren, de uren die appellant als zelfstandige werkte, aanvankelijk vast op 32 uur per week, later bijgesteld naar 18 en uiteindelijk op 0. Appellant maakte bezwaar en startte een beroepsprocedure. De rechtbank oordeelde dat het aantal vrij te laten uren tussen 0 en 18 moest liggen en gaf het UWV opdracht een nieuwe beslissing te nemen. Het UWV stelde vervolgens het aantal vrij te laten uren vast op 4 per week, gebaseerd op een schatting vanwege het ontbreken van concrete en verifieerbare urenregistraties van appellant.
De rechtbank stelde vast dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij meer dan 4 uur per week als zelfstandige had gewerkt. De stukken van appellant waren onvoldoende concreet en inzichtelijk, en het risico van het ontbreken van een urenregistratie lag bij appellant. Het hoger beroep richtte zich op het betwisten van de belangenafweging en de juistheid van de opgave van appellant, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank dat het hier ging om feitelijke vaststelling en bewijslast bij appellant.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep faalde en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2016 door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.