ECLI:NL:CRVB:2016:923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning ouderdomspensioen met korting op partnertoeslag wegens niet-verzekerde jaren
Appellant, een Nederlandse staatsburger geboren in 1948, verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), vermeerderd met een partnertoeslag. De Svb kende dit toe volgens de norm voor een gehuwde, met een korting van 80% op de partnertoeslag wegens veertig niet-verzekerde jaren van zijn echtgenote, die Poolse nationaliteit heeft.
Appellant maakte bezwaar tegen deze korting en stelde dat hij ten minste gedeeltelijk als ongehuwde moest worden aangemerkt, verwijzend naar het feit dat hij tot medio 1991 premies volksverzekeringen betaalde als ongehuwde. Tevens voerde hij aan dat de wettelijke regels discriminatoir zijn op grond van nationale afkomst, in strijd met het EVRM.
De Raad oordeelde dat de wettelijke regels dwingendrechtelijk zijn en dat de toekenning van het ouderdomspensioen afhankelijk is van de leefsituatie in de toe te kennen periode, niet van de situatie ten tijde van de verzekering. Er is geen sprake van discriminatie op grond van nationale afkomst, en de korting op de partnertoeslag is objectief gerechtvaardigd. Ook is het de rechter niet toegestaan de billijkheid van de wet te toetsen.
Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de korting op de partnertoeslag gehandhaafd.