ECLI:NL:CRVB:2016:854
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering te veel genoten wachtgeld door minister van Defensie
Appellant, voormalig ambtenaar bij het ministerie van Defensie, ontving op grond van de Militaire wachtgeldregeling 1961 een wachtgelduitkering tot 2029. De minister stelde vast dat appellant over bepaalde perioden te veel wachtgeld had ontvangen vanwege inkomsten uit een eigen onderneming die verrekend moesten worden met de uitkering.
De minister vorderde terugbetaling van het te veel ontvangen bedrag, wat door appellant werd betwist met het argument dat de vordering verjaard zou zijn en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de minister gerechtigd is tot terugvordering en dat de verjaringstermijn van twee jaar pas begon te lopen vanaf het moment dat de minister de benodigde gegevens ontving, namelijk begin 2014. Het besluit tot terugvordering van juni 2014 lag daarmee binnen de verjaringstermijn en is niet in strijd met rechtszekerheid. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de minister terecht het te veel ontvangen wachtgeld terugvordert en dat deze vordering niet is verjaard.