ECLI:NL:CRVB:2016:819
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewet-uitkering en toekenning WIA-uitkering wegens voortzetting arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 24 december 2007 arbeidsongeschikt en ontving aanvankelijk een WIA-uitkering geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na diverse uitkeringen onder de WW en Ziektewet, meldde zij zich op 16 september 2011 opnieuw ziek. Het UWV kende haar een ZW-uitkering toe, maar trok deze later in omdat zij volgens het UWV recht had op een WIA-uitkering vanaf die datum.
Appellante voerde aan dat haar arbeidsongeschiktheid vanaf 16 september 2011 een andere oorzaak had dan de eerdere periode en dat de intrekking van de ZW-uitkering met terugwerkende kracht onterecht was. Ook stelde zij dat haar beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst onvoldoende waren weergegeven.
De Raad oordeelde dat de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak en dat het UWV terecht de ZW-uitkering introk en de WIA-uitkering toekende. De Raad volgde de verzekeringsarts van het UWV in plaats van de door appellante ingebrachte rapporten en bevestigde dat de beperkingen in de FML juist waren opgenomen. De rechtbankuitspraken werden bevestigd en het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de Ziektewet-uitkering en toekenning van de WIA-uitkering vanaf 16 september 2011 wordt bevestigd.