Uitspraak
24 januari 2014, 13/3611 en 13/3910 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
BESLISSING
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving uitkeringen op grond van de Ziektewet (ZW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op basis van een vermeend dienstverband met een vennootschap. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) trok deze uitkeringen in en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug, omdat uit onderzoek bleek dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat er geen bewijs was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het Uwv baseerde zich op rapporten van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) en het Loket Gefingeerde Dienstverbanden (LGD), waaruit bleek dat de vennootschap geen reële bedrijfsactiviteiten verrichtte en geen omzet had. Appellante kon haar stellingen over het bestaan van een dienstverband niet onderbouwen met objectief bewijs.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het Uwv voldoende feiten had aangedragen en dat appellante onvoldoende tegenbewijs had geleverd. De Raad bevestigde dat er geen sprake was van een dienstbetrekking en dat de intrekking en terugvordering van de uitkeringen rechtmatig was.
De Raad wees erop dat het afdragen van loonbelasting en premies niet automatisch betekent dat er een dienstbetrekking is en dat de vage en inconsistente verklaringen van appellante onvoldoende waren om het oordeel van het Uwv te weerleggen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen dienstbetrekking had en de intrekking en terugvordering van de uitkeringen rechtmatig zijn.