Uitspraak
29 mei 2013, 12/6164 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
8 december 2011 als verdachte gehoord.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 2008 politiemedewerker en werd ontslagen wegens valsheid in geschrift, namelijk het gebruik van een valselijk opgemaakte salarisstrook om een hypotheek te verkrijgen. Na een strafrechtelijk onderzoek en disciplinaire maatregelen werd appellant in 2012 onvoorwaardelijk ontslagen.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het ontslag terecht was gegeven wegens een dringende reden volgens artikel 7:678 BW Pro. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn persoonlijke omstandigheden het ontslag niet rechtvaardigden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren om het ontslag en de verwijtbaarheid te weerleggen. Het feit van valsheid in geschrift was niet gemotiveerd betwist en de korpschef kon redelijkerwijs niet worden verplicht appellant in dienst te houden. De weigering van de WW-uitkering werd bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos door ontslag op grond van valsheid in geschrift.