ECLI:NL:CRVB:2016:540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing voortzetting WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 7 december 2007 arbeidsongeschikt en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering vanaf 4 december 2009. Het UWV besloot op 21 juli 2011 dat haar uitkering zou eindigen per 4 augustus 2012, tenzij sprake zou zijn van toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Appellante meldde op 8 april en 14 mei 2012 een verslechtering van haar gezondheid, maar na uitgebreid medisch onderzoek door verzekeringsartsen concludeerde het UWV dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen ten opzichte van 29 juni 2011. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar medische situatie was verslechterd, onder meer door rugafwijkingen en psychische klachten. De Raad oordeelde echter dat de medische rapporten van het UWV zorgvuldig en overtuigend waren en dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening van het besluit rechtvaardigden.
De Raad bevestigde dat het UWV niet gehouden was terug te komen op het besluit van 21 juli 2011 en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen vergoeding van wettelijke rente toegekend en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd.