ECLI:NL:CRVB:2016:5111
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- G.M.G. Hink
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet-melding appartement in Turkije
Appellante ontving bijstand sinds 2000 en werd onderzocht nadat bleek dat zij een appartement in Turkije bezat dat niet was gemeld aan het college. Het college trok de bijstand over de periode 2000-2003 in en vorderde terugbetaling van de kosten, omdat het appartement de vermogensgrens overschreed en appellante haar inlichtingenplicht had geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep betoogde appellante dat zij niet op de hoogte was van de meldingsplicht en dat het appartement niet tot haar economisch bezit behoorde, omdat het voor haar minderjarige kinderen bestemd was. Tevens voerde zij aan dat de taxatie van het appartement onjuist was.
De Raad oordeelde dat beide partners als een eenheid worden gezien bij de inlichtingenplicht en dat het appartement, geregistreerd op naam van appellante, tot haar vermogen wordt gerekend tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Appellante slaagde hier niet in. De taxatie van het appartement door een lokale makelaar werd als zorgvuldig beoordeeld, ondanks lagere taxaties van appellante zelf.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de intrekking van de bijstand en wees de proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-melding van een appartement in Turkije.