Appellant was projectleider bij het bedrijf van zijn vader, [B.V. 2], dat in 2013 failliet ging. Na overdracht van inventaris en na oprichting van een nieuw bedrijf, [naam B.V. 3], weigerde het Uwv een faillissementsuitkering omdat het nieuwe bedrijf de verplichtingen van het failliete bedrijf zou hebben overgenomen.
De rechtbank stelde dat sprake was van overgang van onderneming en wees het beroep van appellant af. In hoger beroep betoogde appellant dat alleen de inventaris was overgenomen en dat het nieuwe bedrijf een ander product en werkwijze had, met een onderbreking van ongeveer negen maanden in activiteiten.
De Raad hanteerde het toetsingskader van jurisprudentie en Europese richtlijnen en concludeerde dat de inhoudelijke feiten, zoals het andere product, andere doelgroep, andere werkwijze en onderbreking, zwaarder wegen dan formele feiten zoals locatie en naam. Hierdoor was geen sprake van overgang van onderneming.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het Uwv een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd het Uwv veroordeeld in de kosten van appellant. Het hoger beroep werd gegrond verklaard.