Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
4 april 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de vraag of er sprake is van overgang van onderneming in de zin van art. 7:662 e.v. BW, waarbij eiseres stelt dat zij door overgang van bedrijfsactiviteiten van betrokkene 1 naar verweerder automatisch bij verweerder in dienst is gekomen.
Eiseres was in dienst bij betrokkene 1 voor de verkoop van dierbenodigdheden, terwijl verweerder een tuincentrum exploiteert als Welkoop-franchisenemer. Het hof Amsterdam oordeelde dat geen sprake was van overgang van onderneming omdat verweerder de exploitatie niet voortzette, geen voorraden had overgenomen en een andere winkel in een ander pand exploiteerde.
De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het niet aannam dat verweerder de exploitatie voortzette, en dat het enkele feit dat er geen overdracht van voorraden was, niet doorslaggevend is. Ook heeft het hof niet alle relevante feiten betrokken, zoals de locatie van het pand en de presentatie van de ondernemingen als familiebedrijf.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing. Verweerder wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.