Uitspraak
9 oktober 2015, 15/1508 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, vroeg maatschappelijke opvang op grond van de Wmo aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college wees de aanvraag op 10 november 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 20 februari 2015. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat hij recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening geldt, die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. De Raad verwierp het verweer van betrokkene dat opvang in een VBL niet van hem kan worden gevergd vanwege de voorwaarde van medewerking aan vertrek, omdat deze voorwaarde de feitelijke beschikbaarheid van de VBL niet aantast.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het college ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De beoordeling van de rechtmatigheid van de medewerkingsvoorwaarde is voorbehouden aan de staatssecretaris en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt toegewezen en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard, waardoor de aanvraag maatschappelijke opvang wordt afgewezen.