Uitspraak
9 oktober 2015, 15/1226 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening en vernietigde het besluit van het college. Het college stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat opvang in een VBL als een voldoende en voorliggende voorziening kan worden aangemerkt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel blijft ook gelden ondanks dat betrokkene niet tot de VBL is toegelaten na beroep bij de vreemdelingenkamer van de rechtbank.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep van het college gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.