ECLI:NL:CRVB:2016:4862
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen schending gelijkheidsbeginsel bij terugvordering Ziektewetuitkering na vernietigd ontslag
Appellant was werkzaam als chauffeur en meldde zich ziek op 21 maart 2005. Zijn ontslag per 18 maart 2005 werd later door de kantonrechter vernietigd. Het Uwv kende appellant aanvankelijk een Ziektewetuitkering en toeslag toe, maar vorderde deze later terug omdat het dienstverband voortduurde.
Appellant stelde dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat een andere ex-werkneemster (A), die eveneens onterecht was ontslagen, geen terugvordering van haar WW-uitkering onderging. De rechtbank verwierp dit beroep en oordeelde dat er sprake was van ongelijke gevallen door verschillen in dienstverband en keuze voor procedures.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukte dat appellant en A verschillende situaties en rechtskeuzes hadden, waardoor het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden. Het Uwv had het beroep op dit beginsel objectief getoetst. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de Ziektewetuitkering bevestigd.