ECLI:NL:CRVB:2016:486
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op bijstand na beëindiging arbeidsovereenkomst en vaststellingsovereenkomst
Appellant vroeg bijstand aan met ingang van 2 juli 2013 na ontslag en het sluiten van een vaststellingsovereenkomst waarbij een vergoeding werd toegekend ter compensatie van gederfd loon. Het college wees bijstand toe vanaf 2 september 2013, maar niet eerder. Het UWV kende vanaf 1 oktober 2013 een WW-uitkering toe, maar niet voor de periode daarvoor vanwege de vergoeding die als loon werd beschouwd.
De rechtbank oordeelde dat appellant over augustus en september 2013 geen aanspraak had op bijstand omdat hij beschikte over de vergoeding die zijn noodzakelijke kosten van bestaan dekte. Appellant stelde dat de vergoeding over een langere periode moest worden toegerekend en dat hij pas later feitelijk over de vergoeding beschikte, maar deze argumenten werden niet aannemelijk gemaakt.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, oordeelde dat de vergoeding als inkomen moet worden beschouwd en dat appellant over voldoende middelen beschikte in de te beoordelen periode. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht had op bijstand over augustus en september 2013 vanwege de ontvangen vergoeding.