Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving bijstand op basis van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek naar zijn woon- en financiële situatie, waarbij bleek dat hij niet op het opgegeven adres werd aangetroffen en onvoldoende informatie verstrekte, trok het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland de bijstand per 1 september 2013 in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en bepaalde dat het college binnen tien weken een nieuwe beslissing moest nemen. Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de onderzoeksbevindingen voldoende waren om de intrekking te rechtvaardigen, mede omdat betrokkene onvoldoende inzicht gaf in zijn woon- en financiële situatie.
Verder oordeelde de Raad dat de oproep om te verschijnen op korte termijn niet tijdig was, waardoor betrokkene niet kon worden verweten niet te zijn verschenen. Ook werd vastgesteld dat het college door de schorsende werking van het hoger beroep niet verplicht was binnen tien weken een nieuwe beslissing te nemen.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het intrekkingsbesluit ongegrond. Er werd geen dwangsom toegekend en geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.