Uitspraak
2 april 2015, 14/1311 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 2002 in dienst bij een stadsdeel van de gemeente Amsterdam en kreeg in 2009 een berisping wegens ongeoorloofd verzuim en niet naleven van verzuimregels. In 2012 werd een voorwaardelijk strafontslag opgelegd vanwege herhaald ernstig plichtsverzuim, waaronder meerdere keren zonder geldige reden niet op het werk verschijnen en niet bereikbaar zijn voor de leidinggevende.
Na het opleggen van het voorwaardelijk strafontslag werd dit in augustus 2012 ten uitvoer gelegd wegens overtredingen van de verzuimafspraken in maart 2012. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het strafontslag onevenredig was en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en psychische klachten. Ook betwistte hij de tenuitvoerlegging, met name de wijze van ziekmelding en de controle op 16 maart 2012.
De Raad oordeelde dat het plichtsverzuim appellant terecht werd toegerekend en dat het strafontslag niet onevenredig was, mede gezien eerdere waarschuwingen en berispingen. De persoonlijke omstandigheden en psychische klachten boden geen grond voor andersluidend oordeel. De tenuitvoerlegging was terecht, waarbij de Raad anders dan de rechtbank oordeelde dat appellant zich op 8 maart 2012 wel bij zijn leidinggevende had moeten ziekmelden. De controle op 16 maart 2012 kon niet worden meegewogen vanwege onduidelijkheden.
De Raad bevestigde het bestreden vonnis en oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om af te zien van tenuitvoerlegging. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 december 2016.
Uitkomst: Het voorwaardelijk strafontslag en de tenuitvoerlegging daarvan worden bevestigd wegens ernstig plichtsverzuim zonder bijzondere omstandigheden.