Appellante, geboren in 1949 en tot 1977 woonachtig in Curaçao, kreeg een AOW-pensioen toegekend dat werd gekort vanwege niet verzekerde jaren in de periode 1964-1977. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat appellante in die periode niet verzekerd was omdat zij geen ingezetene van Nederland was.
Appellante maakte bezwaar tegen deze korting, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarna appellante in hoger beroep ging. De Svb trok het eerste bestreden besluit in en nam een nieuwe beslissing waarin het bezwaar opnieuw werd afgewezen met de motivering dat het onderscheid tussen ingezetenen in Europa en bewoners buiten het Europese deel van het Koninkrijk objectief gerechtvaardigd is.
De Raad oordeelt dat het begrip ingezetene in de AOW beperkt is tot het Europese deel van Nederland en dat het verblijf in Curaçao niet gelijkgesteld kan worden met wonen in Nederland. Het beroep op discriminatie en strijd met het Statuut wordt verworpen. Het besluit van de Svb blijft daarom in stand en het beroep wordt ongegrond verklaard. De Svb wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante.