Uitspraak
OVERWEGINGEN
6.Heroverweging / beschouwing:
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als vrachtwagenchauffeur, viel wegens ziekte uit en ontving een Ziektewet-uitkering van het UWV. Het UWV legde hem een maatregel op wegens het niet nakomen van re-integratieverplichtingen, wat leidde tot een korting op zijn uitkering. Na bezwaar werd de maatregel ingetrokken en een nabetaling gedaan.
Appellant vorderde vergoeding van materiële en immateriële schade, waaronder advocaatkosten en psychische schade door de houding van het UWV. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat het besluit niet onrechtmatig was omdat het was gebaseerd op gewijzigde omstandigheden.
In hoger beroep oordeelde de Raad dat het UWV achteraf gezien niet tot de maatregel had mogen overgaan, waardoor het besluit onrechtmatig was. De materiële schade werd geacht te zijn vergoed via de nabetaling inclusief wettelijke rente. De gevorderde advocaatkosten vielen onder een aparte regeling en de kosten voor verzorging door familie werden onvoldoende onderbouwd geacht. Immateriële schadevergoeding werd afgewezen omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij geestelijk letsel had geleden zoals bedoeld in artikel 6:106 BW Pro.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank, verbeterde de gronden en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en wijst immateriële schadevergoeding af wegens onvoldoende bewijs van geestelijk letsel.