ECLI:NL:CRVB:2016:4362
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf
Appellant was gehuwd geweest met A en stond tot mei 2011 samen met haar ingeschreven op het uitkeringsadres. Het college verleende A bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Na een fraudemelding startte het college een onderzoek waaruit bleek dat appellant en A een gezamenlijke huishouding voerden, hetgeen niet was gemeld. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet op het uitkeringsadres woonde en dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding niet van toepassing was. De Raad oordeelde dat vijf buurtbewoners appellant herkend hadden als bewoner van het uitkeringsadres en dat het water- en energiegebruik op het door appellant opgegeven alternatieve adres laag was. Verder waren de verklaringen van G, waar appellant zou hebben ingewoond, niet overtuigend.
De Raad concludeerde dat appellant en A gezamenlijk hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres en dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, WWB van toepassing is. Hierdoor was appellant de persoon met wiens middelen rekening moest worden gehouden bij de bijstandsverlening aan A. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand van appellant wegens verzwegen gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf op het uitkeringsadres.