Appellante, met meerdere gezondheidsproblemen, ontving tot november 2012 huishoudelijke hulp volgens oude normtijden. Het college verlaagde deze normtijden en kende minder uren toe, wat appellante betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het beleid binnen redelijke grenzen lag.
In hoger beroep stelde appellante dat de nieuwe, verlaagde normtijden niet reëel zijn en onvoldoende compensatie bieden voor haar beperkingen. Het college verwees naar overleg met zorgaanbieders en de Wmo-Raad als onderbouwing. De Raad oordeelde dat het college niet heeft aangetoond dat de verlaagde normtijden op objectieve criteria berusten, wat strijd oplevert met de Awb.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde zelf dat appellante recht heeft op 3 uur en 40 minuten huishoudelijke verzorging per week, met uitsluiting van bepaalde werkzaamheden waarvoor andere oplossingen bestaan. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten.