ECLI:NL:CRVB:2016:4191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling wettelijke rente bij ten onrechte ingehouden bijstand en verjaring vordering
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam inzake de terugvordering van bijstand die sinds 1998 was ingetrokken. Het college had de bijstand teruggevorderd en inhoudingen gedaan op de uitkering, maar verklaarde bezwaren van appellant niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
De Raad oordeelde dat het bezwaar van appellant tegen het intrekkingsbesluit van 25 december 2000 ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard en vernietigde het bestreden besluit en het daarop volgende besluit. Het college werd opgedragen een inhoudelijke beslissing te nemen, waarbij de Raad het bezwaar gegrond verklaarde wegens verjaring van de vordering.
Vervolgens stelde de Raad vast dat het college bij de berekening van het na te betalen bedrag onjuist had gehandeld door een voorschot dubbel te verrekenen en geen rekening te houden met maandelijkse inhoudingen. Het juiste bedrag aan terugbetaling werd vastgesteld op € 6.170,30. Ook werd geoordeeld dat de wettelijke rente vanaf 1 juni 2009 verschuldigd is en dat deze rente over het correcte bedrag moet worden berekend volgens vaste jurisprudentie.
De Raad vernietigde de besluiten over de berekening van het na te betalen bedrag en de rente en droeg het college op een nieuw besluit te nemen. De beroepen tegen andere besluiten werden niet-ontvankelijk verklaard of ongegrond. Tot slot werd het college veroordeeld in de kosten van appellant en tot vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het college moet € 6.170,30 aan appellant terugbetalen en een nieuw besluit nemen over de wettelijke rente.