ECLI:NL:CRVB:2016:4118
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- M. Kraefft
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Vernietiging disciplinaire ontslagbesluiten wegens onbevoegdheid met instandhouding rechtsgevolgen
Appellant, werkzaam bij de Belastingdienst, werd verdacht van het aannemen van geld en goederen in ruil voor het accepteren van onjuiste BPM-aangiften. Na een strafrechtelijk onderzoek en meerdere verhoren bekende hij deze gedragingen. De staatssecretaris legde hem daarop een onvoorwaardelijk ontslag op grond van plichtsverzuim op en hield zijn bezoldiging volledig in.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de besluiten onbevoegd waren genomen omdat mandaat ontbrak. Desondanks liet de Raad de rechtsgevolgen van de besluiten in stand, omdat het bewijs van plichtsverzuim overtuigend was. Appellant voerde aan onder druk te zijn gekomen en niet toerekeningsvatbaar te zijn, maar dit werd niet aannemelijk geacht.
Ook het beleid van volledige inhouding van bezoldiging werd als rechtmatig beoordeeld, omdat appellant geen concrete financiële problemen aannemelijk had gemaakt. De Raad veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan appellant. De uitspraak bevestigt dat disciplinaire maatregelen zorgvuldig moeten worden genomen, maar dat plichtsverzuim zwaar weegt.
Uitkomst: De bestreden besluiten worden vernietigd wegens onbevoegdheid, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege overtuigend bewijs van plichtsverzuim; volledige inhouding van bezoldiging is gerechtvaardigd.