Uitspraak
26 september 2014, 14/775 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als kantinebeheerster en meldde zich in 2005 ziek. Het UWV kende haar aanvankelijk een WIA-uitkering toe, maar beëindigde deze in 2009 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Diverse aanvragen en bezwaren volgden, waarbij medische onderzoeken door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen plaatsvonden.
In 2013 vroeg appellante opnieuw een WIA-uitkering aan vanwege vermeerde arbeidsongeschiktheid. Het UWV kende haar deze toe vanaf januari 2013, maar beëindigde de uitkering per 20 september 2013 weer wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat de medische rapporten voldoende onderbouwing boden.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen, waaronder het ASIA-syndroom, een ziekte aan de hartspier en chronische vermoeidheid, niet juist waren beoordeeld en dat zij sinds het verwijderen van borstprotheses in 2014 ontgift werd. Ook stelde zij dat haar leukemie al in 2013 aanwezig was. De Raad oordeelde echter dat de gronden in hoger beroep een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat geen nieuwe medische informatie was overgelegd die tot een ander oordeel zou leiden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het beroep van appellante werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering per 20 september 2013 wordt bevestigd.