ECLI:NL:CRVB:2016:4029
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens onverdeelde boedel na scheiding
Appellante ontving bijstand over de periode van 6 augustus 2008 tot 30 juni 2009 onder de voorwaarde dat zij het college informeert over de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap met haar voormalige echtgenoot. Na meerdere verzoeken om informatie over de boedelscheiding, waarbij appellant niet alle gevraagde gegevens kon overleggen, besloot het college de bijstand over genoemde periode in te trekken en de kosten terug te vorderen tot een bedrag van €6.471,66.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat bij aanvang van de bijstandverlening geen sprake was van overschrijding van het vrij te laten vermogen, en dat het college had toegezegd af te zien van terugvordering vanwege hoge advocaatkosten. De Raad oordeelde dat de terugvordering op grond van later verkregen middelen uit de boedel gerechtvaardigd is, ook als bij aanvang geen overschrijding bestond. De toezegging kon niet worden aangetoond en de gevraagde bewijsstukken werden niet overgelegd.
Verder stelde appellante dat het niet duidelijk was dat het ging om het volledige boedelvermogen en dat eerdere terugvorderingen al waren ingesteld na een betaling van €12.500,-. De Raad stelde dat het college pas kon optreden na ontvangst van volledige informatie en dat eerdere terugvorderingen rechtsgeldig zijn. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens het beschikken over middelen uit de onverdeelde boedel.