Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:391

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2016
Publicatiedatum
1 februari 2016
Zaaknummer
14/3581 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens niet onderschatte beperkingen

Appellante, die wegens ziekte haar werkzaamheden als productiemedewerkster staakte, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, omdat de beperkingen van appellante niet zodanig waren dat zij niet kon werken.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), niet werden onderschat. Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen, waaronder fibromyalgie en het Syndroom van Raynaud, groter waren dan erkend en dat zij de voorgestelde functies niet kon vervullen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de zaak voldoende en zorgvuldig had beoordeeld. De medische informatie in hoger beroep bracht geen nieuwe inzichten en de beperkingen waren adequaat verwerkt in de FML. De Raad concludeerde dat appellante in staat is de voorgestelde functies te vervullen en wees het hoger beroep af.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt daarmee het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.

Uitspraak

14/3581 WIA
Datum uitspraak: 20 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 mei 2014, 13/2603 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.N. Hermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2015. Namens appellante is
mr. Hermans verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, die voorheen een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft ontvangen, was laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam als productiemedewerkster. Op 6 juni 2011 heeft appellante haar werkzaamheden wegens ziekte gestaakt. Naar aanleiding van die uitval heeft appellante op 5 maart 2013 uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
1.2.
Na onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 24 mei 2013 meegedeeld dat appellante per 3 juni 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA.
1.3.
Het door appellante tegen het besluit van 24 mei 2013 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 25 juli 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 juli 2013 en een rapport van een arbeidsdeskundige van 13 juni 2013 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsartsen hebben de informatie van de behandelend sector (huisarts, reumatoloog, revalidatiearts, vaatchirurg, neuroloog) in hun beoordeling betrokken. Deze informatie heeft geen aanleiding gegeven voor de conclusie dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellante, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 mei 2013, hebben onderschat.
3.1.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Aangevoerd is dat de beperkingen van appellante wel degelijk zijn onderschat door de verzekeringsartsen van het Uwv. Gelet op de vastgestelde aandoeningen (Syndroom van Raynaud, fibromyalgie) is appellante meer beperkt voor dynamische handelingen. Appellante is sterk beperkt in het gebruik van vingers en handen, (trap)lopen, staan, dragen, tillen, trekken en duwen. Ook is sprake van een beperkte concentratie en problemen met conflicthantering. Wegens al deze beperkingen is appellante niet in staat de door het Uwv geselecteerde functies (telefonist, wikkelaar, administratief medewerker) te vervullen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft de gronden van het beroep uitgebreid en voldoende besproken en op goede gronden aangenomen dat het Uwv de beperkingen van appellante, zoals deze zijn vastgelegd in de FML van 2 mei 2013, niet heeft onderschat en dat de aan appellante voorgehouden functies geen overschrijdingen bevatten van de vastgestelde belastbaarheid. Zoals in overweging 12 van de aangevallen uitspraak is overwogen hebben de diverse specialisten vanuit hun eigen vakgebied geen substantiële afwijkingen kunnen constateren.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. De in hoger beroep ingebrachte medische informatie van de huisarts en Atrium levert geen nieuwe informatie op. De diagnoses fibromyalgie en syndroom van Raynaud waren al bekend. Zoals in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 oktober 2015 is gesteld, zijn in de FML ook aanzienlijke beperkingen opgenomen. In het rapport van de arbeidsdeskundige van 13 juni 2013 is afdoende gemotiveerd dat, uitgaande van deze beperkingen, appellante in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen.
4.3.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.W. Akkerman en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2016.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) W. de Braal

UM