ECLI:NL:CRVB:2016:390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over ontvankelijkheid bezwaar tegen herziening en boete UWV
Appellante ontving vanaf 1 augustus 2011 een WW-uitkering van het UWV. Op 16 oktober 2013 beëindigde het UWV deze uitkering per 1 april 2013 vanwege het feit dat appellante toen is gaan werken. Op 5 november 2013 nam het UWV besluiten tot herziening van de uitkering, terugvordering van €17.251,70 en oplegging van een boete van €1.280,-. Deze besluiten verwezen naar latere brieven waarin het exacte bedrag en de betalingswijze zouden worden vermeld.
Op 18 en 19 november 2013 ontving appellante brieven met betalingsverzoeken en de mogelijkheid tot betalingsregelingen. Appellante maakte op 28 december 2013 bezwaar tegen deze brieven, maar het UWV verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brieven geen besluiten zouden zijn en de oorspronkelijke besluiten van 5 november 2013 niet tijdig waren bestreden.
De rechtbank bevestigde dit standpunt. In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de brieven van 18 en 19 november 2013 wel besluiten zijn omdat zij rechtsgevolgen hebben, en dat de oorspronkelijke besluiten van 5 november 2013 geen volledige betalingsverplichtingen bevatten. Hierdoor ontstond onduidelijkheid over het moment van bezwaar maken, waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
De Raad draagt het UWV op om alsnog te beslissen op het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 5 november 2013 en de gevolgen daarvan voor de latere besluiten. De rechtbank had ten onrechte het tweede bestreden besluit niet betrokken in haar beoordeling.
Uitkomst: Het bezwaar van appellante had ontvankelijk verklaard moeten worden wegens verschoonbare termijnoverschrijding; het UWV moet alsnog op het bezwaar beslissen.