ECLI:NL:CRVB:2016:3830
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Y.J. Klik
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid leenbijstand in de vorm van krediethypotheek
Appellant, eigenaar van een woning met een aflossingsvrije hypotheek en een levensverzekeringspolis als onderpand, vroeg in 2000 bijstand aan die aanvankelijk als leenbijstand werd toegekend. Na omzetting van de leenbijstand in bijstand om niet, werd de bijstand in 2006 ingetrokken wegens voldoende eigen middelen.
In 2012 vroeg appellant opnieuw bijstand aan, welke het college weigerde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beval het college tot hernieuwde beslissing. Het college verleende vervolgens bijstand als geldlening onder de verplichting tot het vestigen van een krediethypotheek. Appellant stelde dat het vertrouwensbeginsel hem recht gaf op bijstand om niet, vanwege eerdere omzetting van leenbijstand in bijstand om niet.
De Raad oordeelde dat de bijstand op grond van de WWB gebonden moest worden verstrekt als geldlening gezien het vermogen van appellant en het ontbreken van hypotheek op de woning. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan dat de bijstandvorm nooit zou wijzigen, en de financiële situatie van appellant was gewijzigd. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De bijstand is terecht als geldlening verstrekt onder de verplichting tot het vestigen van een krediethypotheek; het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen.