ECLI:NL:CRVB:2016:3821
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging vergoeding experimentele therapie wegens volledige remissie en ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant, bij wie in 2004 leverkanker werd vastgesteld, ontving vanaf 2007 een financiële tegemoetkoming voor experimentele dendritische celtherapie en hyperthermie. De minister besloot in 2010 deze vergoeding stapsgewijs af te bouwen en in 2015 te beëindigen, omdat appellant sinds meer dan twee jaar in volledige remissie was en de bijzondere omstandigheden die destijds tot vergoeding leidden niet meer aanwezig waren.
Appellant verzocht om voortzetting van de vergoeding, gesteund op medische adviezen die stelden dat het stoppen van de therapie het risico op recidief zou vergroten. De minister baseerde zijn afwijzing op deskundige adviezen waarin werd gesteld dat de therapie experimenteel is en dat bij volledige remissie in vrijwel alle centra wereldwijd wordt volstaan met controles zonder voortzetting van vaccinaties.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat geen vergoeding op grond van artikel 3 van Pro de Voorzieningenregeling is aangewezen en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die op grond van artikel 11 tot Pro vergoeding verplichten. De verklaring van appellant en zijn behandelaar zijn onvoldoende om het standpunt van de minister te wijzigen. De vergoeding wordt derhalve terecht beëindigd.
Uitkomst: De vergoeding van de experimentele therapie wordt beëindigd vanwege volledige remissie en het ontbreken van bijzondere omstandigheden.