Uitspraak
4 september 2015, 14/4493 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af omdat opvang in een VBL als een voorliggende voorziening geldt.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat hij recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een VBL voldoende invulling geeft aan de internationale verplichting tot opvang en daarmee de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Het feit dat betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL leidt niet tot een ander oordeel, omdat tegen weigering beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter.
Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Een beoordeling van andere gronden werd niet meer verricht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.