ECLI:NL:CRVB:2016:3754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had bezwaar gemaakt tegen de weigering tot toelating tot maatschappelijke opvang in de Vluchthaven te Amsterdam. Het college wees de aanvraag om opvang op grond van de Wmo af en handhaafde dit besluit bij bezwaar.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelt dat de opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die voldoet aan de internationale verplichtingen en de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt. Het feit dat betrokkene niet is toegelaten tot de VBL leidt niet tot een ander oordeel, omdat tegen die weigering beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover beslist.
Daarom vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.