ECLI:NL:CRVB:2016:3749
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen onroerend goed in Turkije
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB en kregen een langdurigheidstoeslag toegekend. Een onderzoek naar hun vermogen in Turkije bracht aan het licht dat appellant een woning bezat die niet was gemeld bij het dagelijks bestuur. De woning stond van 24 augustus 2012 tot 15 augustus 2013 op naam van appellant en werd daarna overgeschreven op zijn broer.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand en toeslag in en vorderde terugbetaling over de periode van 24 augustus 2012 tot 31 augustus 2013. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond, maar vernietigde het besluit over de terugvordering wegens motiveringsgebrek, waarbij de rechtsgevolgen in stand bleven.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat de woning niet tot hun vermogen behoorde of dat zij geen gelden hadden ontvangen bij verkoop aan de broer. De taxatie van de woning door een lokale makelaar werd als deugdelijk beoordeeld, terwijl de lagere taxatie onvoldoende onderbouwd was.
Ook werden de door appellanten aangevoerde dringende redenen om van terugvordering af te zien niet als uitzonderlijk erkend. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en verwierp het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en terugvordering wegens het niet melden van een woning in Turkije.