ECLI:NL:CRVB:2016:3747
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening VBL
Betrokkene, een vreemdeling zonder recht op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verzocht om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo nadat hij was geweigerd tot de opvang in de Vluchthaven (VBL) te Amsterdam.
Het college wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit bij bezwaar. De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de Wmo en vernietigde het besluit van het college.
Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. De Raad verwierp het argument van betrokkene dat de medewerking aan vertrek als voorwaarde onrechtmatig was, en stelde dat de rechtmatigheid van dergelijke voorwaarden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarmee het college in het gelijk werd gesteld.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.