ECLI:NL:CRVB:2016:3733
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep tegen berekening wettelijke rente bij bedrijfskrediet Bbz 2004
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland die het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heiloo ongegrond verklaarde. Het geschil betreft de wijze van berekening van de schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over een vertraagde betaling van een bedrijfskrediet op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).
De Raad ging uit van eerdere uitspraken waarin was vastgesteld dat het college ten onrechte de aanvraag van appellant had afgewezen en dat het college een schadevergoeding moest toekennen bestaande uit wettelijke rente volgens artikel 6:119 BW Pro. Het college had vervolgens een schadevergoeding van € 20.089,72 toegekend. De rechtbank oordeelde dat het college correct uitvoering had gegeven aan de uitspraak van de Raad en dat het niet terecht was om de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW toe te passen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de wettelijke handelsrente had moeten worden toegepast. De Raad oordeelde echter dat het hoger beroep beperkt was tot de vraag of het college juist uitvoering had gegeven aan de eerdere uitspraak en dat de wijze van berekening door het college niet was betwist. Daarom was geen ruimte voor een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgrond omtrent de handelsrente.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek van appellant om een hogere schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.