Appellant, een muzikant die bijstand ontvangt, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Asten om bij de vaststelling van zijn inkomsten uit optredens de door hem gemaakte onkosten in mindering te brengen. Het college verleende toestemming voor optredens, maar hield vast aan de systematiek van de Kleine Vergoedingsregeling, waarbij verwervingskosten niet in mindering worden gebracht op de inkomsten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het college op juiste gronden de verwervingskosten buiten beschouwing liet. Appellant voerde in hoger beroep aan dat deze kosten noodzakelijk en hoger dan zijn inkomsten zijn, en dat het beleid strijdig is met het gelijkheidsbeginsel omdat andere gemeenten gunstiger omgaan met dergelijke kosten.
De Raad oordeelde dat de aanvraag niet ziet op beleid voor marginale zelfstandigen en dat vaste rechtspraak bepaalt dat bij de vaststelling van inkomsten uit arbeid geen rekening wordt gehouden met verwervingskosten. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de WWB een gedecentraliseerde uitvoering kent, waardoor verschillen tussen gemeenten mogelijk zijn.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.