Appellant, een zelfstandig stratenmaker, viel in december 2003 uit wegens nek- en hoofdpijnklachten na een ongeval en onderging in 2005 een hartoperatie. Het UWV kende hem vanaf 2004 een WAZ-uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2012 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid terug op 35-45% met terugwerkende kracht vanaf 15 juli 2008, omdat appellant niet had gemeld dat cardioloog Fauser en longarts Mannes hem medisch hadden onderzocht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen dit oordeel en tegen de boete wegens schending van de inlichtingenplicht. De Centrale Raad oordeelde dat de medische brieven in hun context moesten worden gezien: appellant was hersteld van zijn hartklachten en zijn arbeidsongeschiktheid was gebaseerd op nekklachten. Het was niet redelijkerwijs duidelijk dat de medische informatie van invloed was op zijn uitkering.
Daarom was het UWV niet bevoegd de uitkering met terugwerkende kracht te herzien, terug te vorderen en een boete op te leggen. De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en herroept de besluiten van het UWV. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.