Uitspraak
CIZ
OVERWEGINGEN
11 november 2013 een indicatie voor Persoonlijke verzorging had moeten stellen. Het betoog van appellant onder 3.1 slaagt daarom niet.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, bekend met pijnklachten en psychische aandoeningen, vroeg op 11 november 2013 een indicatie voor zorg aan bij het CIZ. Deze aanvraag werd op 3 december 2013 afgewezen, en het bezwaar daarop ongegrond verklaard op 11 juli 2014. De rechtbank bevestigde dit besluit in december 2014.
Appellant stelde dat er geen verandering in zijn gezondheid was sinds de eerste aanvraag en betwistte het standpunt van het CIZ dat hij zelfstandig zijn persoonlijke verzorging kon verrichten met hulpmiddelen. In januari 2015 stelde het CIZ echter onterecht een indicatie voor persoonlijke verzorging vast, welke later werd herroepen in mei 2015.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende concrete gronden had aangevoerd om het standpunt van het CIZ te weerleggen dat hij ondanks zijn beperkingen zelfstandig zijn persoonlijke verzorging kan doen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de indicatie persoonlijke verzorging bevestigd.