ECLI:NL:CRVB:2016:3589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet wegens poging tot oplichting
Appellant was sinds december 2011 in dienst als servicemonteur bij een werkgever en werd op 13 december 2013 op staande voet ontslagen wegens poging tot oplichting van een klant. Het UWV weigerde vervolgens de WW-uitkering met ingang van die datum. De rechtbank stelde in kort geding vast dat de reden voor het ontslag als dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW Pro kwalificeert en verklaarde het bezwaar tegen de weigering van de uitkering ongegrond.
Appellant sloot daarna een vaststellingsovereenkomst waarin de arbeidsovereenkomst per 13 december 2013 rechtsgeldig werd beëindigd, maar stelde dat deze overeenkomst het voorlopige oordeel in het kort geding terzijde stelde. Het UWV bleef echter uitgaan van de dringende reden en stelde dat de werkloosheid verwijtbaar was. De rechtbank bevestigde dit standpunt en verwierp het beroep van appellant.
In hoger beroep voerde appellant aan dat er geen dringende reden was en dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in overleg en op basis van een vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen. De Centrale Raad oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst geen afstand deed van het ontslag op staande voet en dat de feiten zoals vastgesteld in het kort geding – dat appellant een klant probeerde op te lichten – juist waren. Gelet op de aard van het werk en de omstandigheden was sprake van een objectief en subjectief dringende reden, waardoor de werkloosheid verwijtbaar was en de WW-uitkering terecht werd geweigerd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet.