Uitspraak
23 juni 2015, 14/8064 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene was sinds 1997 werkzaam bij de gemeente Rotterdam en werd beschuldigd van het wegnemen van goederen uit een gemeentelijke container en kantoorruimte op het milieupark. Camerabeelden en verklaringen toonden aan dat betrokkene meerdere keren goederen, waaronder boeken, elektronische apparaten en kleding, meenam voor persoonlijk gebruik en ook goederen door derden liet meenemen.
Na een onderzoek en een verantwoordingsgesprek legde de gemeente betrokkene ontslag op wegens plichtsverzuim. De rechtbank vernietigde dit besluit echter en legde een voorwaardelijk ontslag op, omdat het onvoorwaardelijke ontslag niet evenredig werd geacht.
De Centrale Raad van Beroep stelt dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat het ontslag op zichzelf niet onevenredig is, gelet op het duidelijke verbod en de waarschuwingen. Wel oordeelt de Raad dat de straftoemeting onvoldoende consistent is gemotiveerd, omdat vergelijkbare gevallen verschillend zijn bestraft zonder duidelijke rechtvaardiging.
De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank voor zover deze zelf heeft voorzien en draagt het college op een nieuw besluit te nemen, waarbij het beroep tegen dit besluit alleen bij de Raad kan worden ingesteld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het ontslagbesluit wordt bevestigd, maar de Raad beveelt een nieuw besluit vanwege onvoldoende motivering van de straftoemeting.