ECLI:NL:CRVB:2016:353
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag WUV-uitkering wegens ontbreken bewijs vervolging
Appellant, geboren in 1931 in Nederlands-Indië, verzocht meerdere malen om een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Zijn aanvraag werd steeds afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat hij vervolging had ondergaan, ondanks verklaringen van familieleden en nadere onderzoeken.
Na eerdere vernietiging van een besluit door de Raad, volgde een nieuw besluit dat opnieuw tot afwijzing leidde. Appellant stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting in het Halimoenkamp geïnterneerd was geweest, maar dit kon niet worden bevestigd door onafhankelijk bewijs.
De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die aanleiding gaven tot herziening van het besluit. De verklaring van zijn broer werd onvoldoende geacht, mede omdat eerdere verklaringen en rapporten dit niet ondersteunden.
De Raad concludeerde dat het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan stand hield en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is komen vast te staan dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan.