ECLI:NL:CRVB:2016:3378
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar bestuursrechtelijke premie en beoordeling inning
Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de verschuldigdheid en hoogte van de bestuursrechtelijke premie die het Zorginstituut heeft vastgesteld en geïnd via inhouding op hun inkomsten. De rechtbank verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk omdat de bestuursrechtelijke premie is uitgezonderd van beroep bij de bestuursrechter, en verwees appellanten naar de burgerlijke rechter. Appellanten trokken het hoger beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring in.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de wetgever de bestuursrechtelijke premie heeft uitgezonderd van bestuursrechtelijk beroep, maar dat dit niet betekent dat appellanten geen toegang tot de rechter hebben; zij kunnen zich wenden tot de burgerlijke rechter. De Raad bevestigt dat het Zorginstituut bevoegd is de premie in te houden op het inkomen van appellanten op grond van artikel 18f van de Zorgverzekeringswet.
Appellanten voerden aan dat de inhouding zonder rekening te houden met de beslagvrije voet hun financiële situatie verslechtert. De Raad stelt dat appellanten dit onvoldoende hebben onderbouwd en dat het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk is voor het waarborgen van de beslagvrije voet bij uitkeringsinhoudingen. De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.