ECLI:NL:CRVB:2016:3357
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met zus
Appellante diende op 9 december 2014 een aanvraag in voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande, waarbij zij verklaarde inwonend te zijn bij haar zus. De Dienst Werk en Inkomen van Amsterdam voerde een onderzoek uit, inclusief dossieronderzoek, een gesprek en een huisbezoek. Op basis hiervan besloot het college op 9 februari 2015 de aanvraag af te wijzen omdat appellante een gezamenlijke huishouding voert met haar zus.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante ging in hoger beroep en betwistte dat sprake is van wederzijdse zorg, het tweede criterium voor gezamenlijke huishouding volgens de Participatiewet. Zij stelde dat er geen financiële verstrengeling is die verder gaat dan het delen van woonlasten en dat haar verklaring onjuist is geïnterpreteerd.
De Raad oordeelde dat de verklaring van appellante, waarin zij onder meer aangaf samen met haar zus kosten te delen, voor elkaar te zorgen bij ziekte en geen huur meer te betalen, voldoende bewijs vormt voor wederzijdse zorg. De Raad verwierp het beroep op eerdere uitspraken en concludeerde dat appellante en haar zus een gezamenlijke huishouding voeren, waardoor appellante geen zelfstandig recht op bijstand heeft. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd omdat appellante een gezamenlijke huishouding voert met haar zus.