ECLI:NL:CRVB:2014:3862
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet gerechtvaardigd
Appellante vroeg bijstand aan als alleenstaande, maar het college wees dit af omdat zij volgens hen een gezamenlijke huishouding voerde met een ander persoon (A), waardoor zij geen zelfstandig recht had op bijstand. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep.
De Raad beoordeelde dat hoewel appellante en A hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, onvoldoende bewijs was voor wederzijdse zorg die verder ging dan het delen van woonlasten. Het huisbezoek en verklaringen boden geen concrete aanwijzingen dat appellante zorg verleende aan A. Ook de verklaring die appellante tijdens het huisbezoek aflegde, werd geacht geldig te zijn, ondanks haar latere ontkenning.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, en bepaalde dat appellante over de volledige periode bijstand moet ontvangen als alleenstaande. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente over de na te betalen bijstand.
Uitkomst: Het college moet appellante bijstand toekennen als alleenstaande over de periode 11 december 2012 tot 10 april 2013 en het bestreden besluit wordt vernietigd.