ECLI:NL:CRVB:2015:645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit bijstand wegens ontbreken wederzijdse zorg in gezamenlijke huishouding
Appellant diende een aanvraag in voor bijstand als alleenstaande, waarbij hij verklaarde inwonend te zijn bij zijn zus. Het college wees de aanvraag af op grond van het bestaan van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat er geen sprake was van wederzijdse zorg, omdat hij slechts incidenteel lichte huishoudelijke taken verrichtte en geen financiële verstrengeling bestond.
De Raad beoordeelde de feiten en concludeerde dat hoewel appellant zijn hoofdverblijf bij zijn zus had, de wederzijdse zorg ontbrak. De enkele aanwezigheid van onderdak en incidentele hulp waren onvoldoende om van een gezamenlijke huishouding te spreken. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en het eerdere vonnis.
De Raad herroept het besluit van het college en draagt op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het college wordt vernietigd wegens het ontbreken van wederzijdse zorg, en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.