ECLI:NL:CRVB:2016:3286
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening kinderbijslag wegens ontbreken verblijfsrecht
Verzoekster, geboren in 1988 en afkomstig uit voormalig Joegoslavië, heeft sinds 2009 geen geldige verblijfsvergunning in Nederland. Zij heeft twee kinderen met een Nederlandse partner, die onder toezicht zijn gesteld en verblijven in een opvanghuis. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft haar aanvraag voor kinderbijslag afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsstatus.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster ongegrond, en de Raad voor de Rechtspraak stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de toepassing van artikel 20 VWEU Pro. Verzoekster vroeg om een voorlopige voorziening om kinderbijslag toe te kennen gedurende de procedure.
De voorzieningenrechter oordeelt dat vanwege de lopende prejudiciële procedure geen voorlopig oordeel kan worden gegeven over de bodemgeschillen. Er is geen sprake van een onomkeerbare situatie die het vertrek uit de EU zou vereisen, en verzoekster wacht haar procedures af zonder uitzettingsmaatregelen.
Verder weegt de voorzieningenrechter het belang van verzoekster bij kinderbijslag af tegen het belang van de Svb om publieke middelen niet zonder rechtsgrond te besteden. Kinderbijslag is een belangrijke inkomstenbron, maar geen laatste financieel vangnet. Er is geen financiële spoedeisendheid aangetoond die toekenning van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot toekenning van kinderbijslag wordt afgewezen wegens ontbreken van een onomkeerbare situatie en financiële spoedeisendheid.