ECLI:NL:CRVB:2016:3257
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging bestuurlijke boete bij intrekking bijstand wegens onjuiste woonplaats
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een adres in haar gemeente. Uit onderzoek bleek dat zij feitelijk met haar zoontje in een andere gemeente verbleef, zonder dit te melden. Het college trok de bijstand over de periode oktober 2012 tot april 2013 in en vorderde de kosten terug, daarnaast legde het een boete op van 100% van het benadelingsbedrag wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het boetedeel van het besluit, maar hield de terugvordering in stand. Het college stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden en dat sprake was van normale verwijtbaarheid, waardoor een boete passend was.
De Raad oordeelde dat appellante inderdaad niet op het uitkeringsadres woonde en dit niet had gemeld. De boete werd gematigd tot €710, rekening houdend met het oude regime van 6% beslagvrije ruimte en de financiële omstandigheden van appellante. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover de boete werd afgewezen en de boete werd vastgesteld op het gematigde bedrag. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op €710 wegens normale verwijtbaarheid bij het niet melden van de feitelijke woonplaats buiten de gemeente.