Belanghebbende, die de Nederlandse nationaliteit bezit, heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over de toepassing van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Sociale Verzekeringsbank (SVB) had vastgesteld dat belanghebbende niet verzekerd was voor de Nederlandse volksverzekeringen gedurende bepaalde perioden waarin hij in België woonde. De SVB kende hem een ouderdomspensioen toe van 36% van het maximale pensioen.
Belanghebbende stelde primair dat hij verplicht verzekerd was omdat hij in Nederland arbeid in loondienst had verricht gedurende de relevante perioden. De Centrale Raad verwierp dit standpunt wegens gebrek aan bewijs van werkzaamheden in Nederland. In cassatie werd geoordeeld dat klachten over bewijslastverdeling, feitenvaststelling en motivering geen grond voor cassatie vormen.
Subsidiair stelde belanghebbende dat sprake was van discriminatie omdat niet-ingezetenen niet automatisch verzekerd zijn, terwijl ingezetenen dat wel zijn. De Hoge Raad bevestigde dat deze beperking gerechtvaardigd is op grond van de doelstelling van de volksverzekeringswetten en het internationaal aanvaarde uitgangspunt dat sociale wetgeving geldt in het land waar beroepswerkzaamheden worden verricht.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.