ECLI:NL:CRVB:2016:3026
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijzondere bijstand voor entreekosten bewindvoering na benoeming bewindvoerder
Betrokkene had bijzondere bijstand aangevraagd voor entreekosten van bewindvoering, welke waren gemaakt in verband met de onderbewindstelling. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven wees de aanvraag af omdat deze meer dan drie maanden na het ontstaan van de kosten was ingediend, waarbij het college het ontstaan van de kosten stelde op het moment van het indienen van het verzoekschrift tot onderbewindstelling.
De rechtbank oordeelde echter dat de kosten pas ontstonden bij de benoeming van de bewindvoerder door de kantonrechter, waardoor de aanvraag binnen de termijn was gedaan. Het college stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de kosten al bij het verzoekschrift ontstonden en verwees naar beleidsregels die dit zouden ondersteunen.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de kosten van bewindvoering pas opkomen bij de benoeming van de bewindvoerder, omdat dan de betalingsverplichting ontstaat. Werkzaamheden voorafgaand aan de benoeming leiden niet tot kosten voor betrokkene. Beleidsregel B076, die tegemoetkomt aan aanvragen vóór benoeming, is niet van toepassing op deze aanvraag, omdat de aanvraag ná benoeming is gedaan.
De Raad concludeerde dat het college het beleid niet consistent heeft toegepast door de aanvraag af te wijzen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het college moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak, en tegen dat besluit kan alleen beroep bij de Raad worden ingesteld.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor entreekosten bewindvoering is terecht toegewezen omdat de kosten pas bij benoeming van de bewindvoerder zijn opgekomen en de aanvraag binnen drie maanden is gedaan.