ECLI:NL:CRVB:2016:301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- W.F. Claessens
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en onvoldoende vermogen
Appellante ontving bijstand sinds 2007 en stond ingeschreven op een adres waar ook haar dochter woonde. Zij had een relatie met K, met wie zij twee kinderen had, maar K stond op een ander adres ingeschreven. Na een onderzoek naar een mogelijke gezamenlijke huishouding, waarbij onder meer observaties, verhoren en gegevens over energieverbruik werden verzameld, concludeerde het college dat appellante en K hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode 1 juli 2010 tot 31 juli 2012.
Appellante voerde aan dat zij haar verklaring tijdens het verhoor onder druk had afgelegd en dat zij niet aan haar verklaring gehouden mocht worden. De Raad verwierp dit verweer omdat de verklaring vrijwillig was afgelegd en medische gegevens geen aanleiding gaven tot twijfel. Ook werd vastgesteld dat K regelmatig bij appellante verbleef en dat sprake was van gezamenlijke huishouding.
Vervolgens werd een nieuwe aanvraag om bijstand afgewezen omdat appellante niet de gevraagde bankgegevens over de bankrekening van haar broer had verstrekt. Appellante was wel gemachtigd over deze rekening te beschikken en had daar ook gebruik van gemaakt. De Raad oordeelde dat het college terecht inzage in de bankafschriften verlangde om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Appellante slaagde er niet in aan te tonen dat zij niet over het vermogen kon beschikken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en wijst het hoger beroep af.